Mali  -  4 januari 2003 t/m 22 januari 2003

 

Vreugde dans -Grens Senegal/ Mali bij Diboli-

Met het beeld van de Mauritaanse douanebeambten voor de geest gaan we schoorvoetend op weg naar de grens van Senegal met Mali. Aan de Senegalese kant verloopt alles tot onze opluchting vlekkeloos. Vervolgens passeren we de brug over de Senegal rivier en daarmee tevens de natuurlijke landsgrens. Ook de plotselinge afwezigheid van asfalt direct na de brug duidt erop dat we informeel al in Mali zijn.
Verderop ligt een Malinese douanier onder een rieten afdak te slapen. ‘Excuseer ons dat we u wakker maken maar zou u zo vriendelijk willen zijn ons Carnet in te stempelen?’, vragen we voorzichtig. Brommend opent de douanier een oog. ‘Mmm, laat eens kijken.’ We overhandigen het Carnet. Nog altijd liggend op zijn bankje tast hij de tafel af op zoek naar een pen. Deze ligt net buiten zijn handbereik en daarom geven we de pen ook aan. ‘De eerste keer in Mali?’, vraagt de douanier terloops. We knikken bevestigend. ‘Wat vonden jullie van Senegal?’ ‘Leuk, aardige mensen.’ ‘Mali is beter’, zegt de douanier en krabbelt overeind om zijn cassetterecorder aan te drukken. Kleurrijke klanken klinken uit de boxen. ‘Is dit Malinese muziek?’, vragen we in een poging het gespreksonderwerp te veranderen. ‘Ja, vinden jullie het mooi?’ Uiteraard beamen we dit en maken enkele ritmische bewegingen op de maat van de muziek. Ineens is er geen spoor meer van de luie douanier. Hij staat op en danst vol overgave met ons mee. Daarna strijkt hij zijn pak glad, pakt ons Carnet en loopt naar de stempeldoos. Wederom drukt een official een gratis stempel in onze papieren! Nog één kantoortje te gaan…
In Diboli vinden we het gebouw van de politie vrij gemakkelijk. Een breedgeschouderde norse agent gebaart ons mee te komen. Als de politieagent de deur van het slot haalt, zien we dat het bureau tevens als gevang dienst doet, getuige de tralies voor de ramen en een man die in een donker hoekje lusteloos voor zich uit zit te staren. We vullen papieren in en geven pasfoto’s af. ‘Dat is dan 2.000 CFA administratiekosten.’ ‘Geen probleem’, luiden we onze nieuwe tactiek in: ‘Kunt u even een factuur voor ons maken?’ De agent reageert met gefronste wenkbrauwen en een donkere blik: ‘dat doen we hier niet’. We hebben ons weerwoord klaar. Andres legt uit bioloog te zijn die alles moet declareren bij zijn baas. ‘En zij dan?’, op Marre wijzend. De groeiende ergernis is van zijn gezicht af te lezen als Andres antwoordt: ‘oh, zij is mijn student, kijk maar in de papieren.’ Met een ruk schuift de agent zijn stoel achteruit en verdwijnt zonder iets te zeggen naar de naastgelegen ruimte.
Al wachtend zien we hoe kleine vogeltjes vrijwillig tussen de tralies door naar binnen huppen. Met onrechtmatig verkregen nestmateriaal, dat ze uit het zadel van een brommertje pikken, gaan ze er vliegensvlug vandoor als de agent met grote stappen binnen komt. ‘Ton patron, ton patron’ (jouw baas, jouw baas), grauwt hij. Daarna ineens: ‘c’est fini.’ (Het is klaar.) Met onze gezichten in de plooi nemen we afscheid. Om de hoek proesten we het uit en feliciteren elkaar met deze gratis grensovergang.

 

Van Den Bosch naar Nijmegen via Groningen -Kayes, Bafoulabé, Manantali, Bamako-


De eerste wc sinds weken

Vanuit Kayes, een leuk stadje dat aan de spoorlijn Bamako-Dakar ligt, willen we naar de hoofdstad. We verblijven er een paar dagen op een mini-camping, waar we voor het eerst sinds weken weer een wc zien.

In reizigerskringen is de route van het westen van Mali naar de hoofdstad Bamako in nevelen gehuld. Er loopt namelijk geen echte weg heen. Een verzameling pistes, sporen en gravelwegen moet in de juiste volgorde achter elkaar gepuzzeld worden. Aan de hand van discussies met andere overlanders en met behulp van de wegenkaart maken wij onze eigen variant, die door -naar wij hopen- de mooiste omgevingen loopt. Over een matige gravelweg rijden we zuidwaarts een bergachtig gebied in. Na het dorpje Sadiola eindigt de weg en begint de piste. De diepe kuilen en droge rivierbeddingen worden vlotjes

gepasseerd. Bij een splitsing midden in het bos komen we op een smal spoor terecht. In kleine dorpjes worden we door groepjes kinderen enthousiast begroet. Bijna nemen we een verkeerde afslag maar de kinderen rennen ons achterna en wijzen opgewonden naar het andere pad. Daar begint de piste te klimmen. Rotsblokken, stukken oud asfalt en zand vormen een bijna onbegaanbare weg, in een heuvelachtig décor van rotsachtige savanne. In het dorpje Bafoulabé zien we dat een brede rivier de doorgang blokkeert. Dat klopt met onze kaart, behalve dan dat er geen autobrug is maar een spoorbrug. Een Zwitser vertelt dat de auto op de trein naar de overkant kan, maar daar voelen we weinig voor. Niemand weet wanneer de trein komt en wat het gaat kosten. Een andere optie is over de spoorbrug naar de overkant

rijden, maar wat als de trein juist op dit moment komt…? Over de rivier vaart ook een pont maar die komt niet uit bij de piste naar Bamako via Kalé die we het liefst willen nemen. Een uitweg uit deze situatie is snel bedacht. We gaan een omweg nemen en niet zomaar een; de onder reizigers bekende en door velen gevreesde piste van Bafoulabé naar Diamou. Na Diamou lopen er pistes met een wijde boog naar het deel van Bafoulabé dat aan de andere kant van de rivier ligt, van waaruit we naar Kalé denken te kunnen.
De piste begint bedrieglijk eenvoudig. De voor dit soort wegen gebruikelijke kuilen en hobbels merken we nauwelijks meer op. Door vriendelijk wuivend grasland vervolgen we geroutineerd onze weg. Verderop wordt ons duidelijk wat er gebeuren kan als een onverharde weg gegeseld wordt door de jaarlijkse tropenregens. Tijdelijk verwordt ze tot een modderstroom. Het regenwater heeft zodoende gevaarlijke groeven in de piste gesleten die eindigen in een diepe stoffige rivierbedding. Ontwijken van de groeven is onmogelijk maar als we ons parcour zorgvuldig uitstippelen kunnen we de ergste sleuven omzeilen. Deze uitdaging durven we aan.


In de buurt van Sadiola


Piste met waterschade

We overbruggen de sleuven met succes waarna de voorwielen een rivierbedding induiken. De achterwielen doen wit stof opstuiven. Met de vierwielaandrijving ingeschakeld werken de voorwielen zichzelf omhoog. De achterkant van de wagen verdwijnt in de diepte. ‘Krrrr….’, er schuurt iets langs de grond. Met flink wat gas staan we aan de overkant. Even de wagen controleren.


De beloning na het zweten


Het afwisselende Sahel landschap in Mali


Zoals gewoonlijk heeft de trekhaak een klap gekregen; niets aan de hand. Diepe vrachtwagensporen met hoge middenberm, in hard geworden modder, dwingen ons vervolgens opnieuw tot voorzichtigheid. Soms maken we dankbaar gebruik van door personenauto’s gecreëerde omleidingen om de ergste stukken te omzeilen. De stortvloed aan water heeft zelfs delen van de piste in puinhellingen veranderd! Met uiterste precisie sturen we de auto over een puinhelling met rotsblokken. Trots staan we een kwartier later heelhuids beneden. Een oliespoor van een eerdere passant laat zien dat het ook fout kan gaan.


De puinhelling

Diepe scheuren in het gesteente, rivierbeddingen en puinhellingen maken de piste tesamen met mul zand een ware beproeving voor auto’s en bestuurders.

 


De Senegal rivier (loopt deels door Mali)


Het stoffige vermaak duurt een hele dag en tevreden constateren we dat er 65 kilometer is afgelegd! De volgende dag steken we de Senegal rivier over en rijden over smalle pistes verder. Vlak voordat we Bafoulabé opnieuw binnen denken te rijden, blokkeert een tweede rivier de doorgang! Bij nadere bestudering van de kaart zien we dat bij Bafoulabé twee rivieren samenkomen. We willen beslist naar de overkant, waar de mooie piste via Kalé naar Bamako begint. Een veerpontje brengt ons erheen. Vol verwachting verlaten we Bafoulabé. Verwarring slaat toe als de piste na enige tijd een scherpe bocht maakt in de verkeerde richting. Een karrenspoor gaat rechtdoor. Met de grote Landcruiser kunnen we onmogelijk op dit paadje rijden. Een man op een ezel vertelt ons, dat deze route naar Bamako al jaren niet meer begaanbaar is voor auto’s. Er loopt een nieuwe gravelweg via Manantali naar Bamako waar we reeds met de eerste pont heen hadden kunnen varen. Kortom, we hebben een omweg van twee dagen gemaakt om op een piste te komen die niet meer blijkt te bestaan!

 

Help! We lusten geen honing -piste van Manantali naar Kita-

Door de omweg die we hebben gemaakt, is de brandstoftank bijna leeg. Onder een schaduwrijke boom beginnen we de laadruimte deels uit te ruimen om een jerrycan diesel te pakken als er een bij in Marre’s haar vliegt. Andres mept deze eruit waarna de bij de aanval opent en opnieuw naar Marre’s hoofd duikt. Geschrokken vluchten we de wagen in en draaien de raampjes dicht, maar we zijn te laat. De bij heeft ons achtervolgd en nu zitten we met woeste bij en al in de auto! Inmiddels in paniek vlucht Marre de wagen weer uit en rent weg, op de hielen gevolgd door de bij. Andres wordt door een tweede bij aangevallen. Fanatiek meppend naar de razende bij heeft Andres niet in de gaten dat er hoe langer hoe meer bijen op het toneel verschijnen.
Gealarmeerd door het getier en gevloek van Andres die ondertussen voortdurend gestoken wordt, begint er bij Marre, die al meer dan honderd meter rennend heeft afgelegd maar nog altijd wordt achtervolgd, een plaatje te ontstaan. De angst slaat haar om het hart bij het idee dat Andres wellicht door een hele zwerm bijen wordt aangevallen. Ze schreeuwt naar Andres zich uit de voeten te maken. Maar de afstand is inmiddels zo groot dat de woorden Andres niet langer bereiken en alleen wanhopig gekrijs lijken. Andres probeert in een laatste vruchteloze poging de wagen te starten om weg te rijden. Het gezoem van inmiddels tientallen bijen vult de auto. Op de achtergrond worden fantasyverhaaltjes gegromd onder begeleiding van heroïsche muziek. De bezeten bijen steken Andres in zijn rug, armen en hoofd, kruipen achter zijn oren en zitten op zijn oogleden. De overmacht is te groot.
In een helder moment grijpt Andres een jerrycan water en spoelt al rennend de woedende bijen van zich af. Buiten adem en in totale doodsangst haalt Andres Marre in wiens bij de achtervolging eindelijk heeft gestaakt. Andres’ hoofd is opgezwollen van de vele steken. Ontredderd veegt hij de laatste bijen van zich af. Er zit niets anders op dan naar het dichtstbijzijnde dorpje te lopen. We laten de auto met lopende motor ver achter ons. Als een wagen ons van achteren nadert springt Marre op de weg om deze te laten stoppen. Als we zien dat de auto van Unicef is zijn we opgelucht. Indien nodig is medische hulp binnen handbereik. Ondanks de chaotische uitleg begrijpen deze mensen ons verhaal en we kunnen instappen. Ze draaien de auto en rijden terug naar onze wagen om de situatie te onderzoeken. Met benauwde stem verzoekt Andres de ramen gesloten te houden. ‘Oui, bien sûr’ (Ja, natuurlijk), zegt de chauffeur met een begrijpende glimlach op zijn gezicht. Vol afgrijzen zien we hoe de auto in een bijenkorf is veranderd. De ramen zijn zwart omrand van de bijen terwijl honderden andere bijen als een wolk door de cabine cirkelen.
Er wordt een reddingsplan gemaakt. Andres wordt naar het dorp gebracht om behandeld te worden terwijl de Unicefleden samen met Marre terug zullen rijden om de bijen uit te roken.
In het dorpje wordt Andres op een rieten bedje gezet en spoedig halen vrouwen en kinderen angels met gifzakjes uit lijf en t-shirt en wrijven ze de bijensteken in met een verzachtend zalfje. Ondertussen trekken de Unicefmannen een paar handen stro uit een hutje langs de kant van de weg. Heldhaftig, gewapend met stro en lucifers, dringen ze vervolgens te voet het bijendomein binnen. Marre hoeft niet mee. Ze is de tijdelijke bestuurder van de gloednieuwe Toyota Landcruiser die indien nodig als vluchtwagen zal worden gebruikt. De mannen krijgen het voor elkaar om op enkele meters naast de wagen vuur te stoken. Kort daarop duwen ze de wagen de weg op en steken aan beide zijde van de weg de berm in de fik. De laatste bijen vluchten de auto uit of worden bedwelmd door de rook. Dan is het zo goed als voorbij. Er wordt snel terug naar het dorpje gereden om te zien hoe Andres het maakt. Een voorzichtige schatting komt uit op zo’n 30 steken voornamelijk op zijn hoofd, en een bleek gezicht van pijn en schrik, maar een ziekenhuis bezoek blijkt niet nodig. Wel zal hij koorts en spierpijn krijgen als reactie op het gif in zijn lichaam. Na het afscheid nemen is er nog een probleem. We durven de auto niet meer in, bang voor ontwakende versufte bijen! Dan wordt er een zakje met wit poeder tevoorschijn getoverd. Het is insecticide en wordt door de wagen gestrooid zodat de versufte bijen geen lang leven meer is beschoren. Aarzelend stappen we in en rijden terug naar Manantali waar we kunnen herstellen van de bijenaanval.

 

Grote schoonmaak -Bamako, Segou-

Enigszins uitgerust rijden we in een dag naar Bamako. Als we de stad binnen rijden, worden we niet bepaald enthousiast. Qua ontwikkeling heeft Bamako nog een lange weg te gaan. Uitsluitend de hoofdwegen zijn geasfalteerd. Over deze en de overige stoffige wegen sjezen groene conservenblikken voorbij, volgestouwd met mensen, kippen, geiten en goederen. Deze wrakken met sterren in de voorruit, scheef of open hangende portieren, deuken en butsen en niet werkende verlichting zijn de naam taxibus niet waardig. De walmende uitlaatgassen die ze uitstoten vergezeld door de open rioollucht geven de stad een bedenkelijke geur mee. Alleen de vele monumenten, die aangelegd zijn voor de Afrikaanse voetbalkampioenschappen van 2002, geven de stad een wat moderner aanzien.
We moeten er een paar dagen verblijven om visa en geldzaken te regelen. Met het visum voor Burkina Faso in onze paspoorten zijn we blij dat we Bamako kunnen verlaten.


Bamako


Grote schoonmaak

De bestemming is Segou, waar een door Duitsers gerund hotel is waar ook gekampeerd kan worden. De smalle asfaltweg naar Segou is een verademing na alle pistes van de afgelopen tijd. In Segou vinden we hotel Djoliba vrij snel. Helaas is van een echte camping, met ruimte en middelen om de auto eens goed schoon te maken, geen sprake. We kunnen slapen op de bewaakte parking van het hotel. De moed zinkt ons in de schoenen want binnen is het zo vies van de roet, insecticide, dode bijen en het allesdoordringende rode stof dat het zinloos is om schone kleren aan te trekken.
Na het horen van ons verhaal bieden Alli en Elke, de eigenaars van Djoliba, ons hun achtertuin en garage aan. De volgende ochtend rijden we erheen en wordt ons rijdende huis helemaal leeg geruimd. De dikke rode stoflaag tart elke beschrijving. Alli en Elke schakelen hun personeel in dat met perslucht en water onze auto helemaal schoonmaakt! Onze kleren kunnen met het beddegoed van het hotel worden meegewassen. Ontdaan en enthousiast van zoveel helpende handen maken we zelf alle kisten, inclusief spullen, met enorme hoeveelheden water schoon. Nu kunnen we helemaal fris naar Burkina Faso.
 

Home Marokko Mauritanië Senegal Mali Burkina Faso Ghana Togo Benin Niger Algerije Tunesië