Togo  -  3 maart 2003 t/m 28 maart 2003

 

Geld wisselen: dat doen we bij banken…? -grens Ghana / Togo-
We passeren de grens van Ghana en Togo bij een weinig gebruikte overgang richting Badou. Het verloopt zonder problemen al moeten we aan de Togolese zijde de werking van het Carnet de Passage uitleggen en eenmaal een cadeauverzoek omzeilen. De omgeving rond is prachtig groen en bergachtig, met ruige beekjes en dicht regenwoud.


Klaterende beek


Rode weg door groen woud


Kinderen zwaaien, juichen en lachen als we langskomen en ook volwassenen veren op bij de in deze tijd zeldzame aanblik van toeristen. De mensen zijn blij dat er weer toeristen komen en hopen op herstel van deze belangrijke extra inkomstenbron. Het nieuws gaat als een lopend vuurtje door het stadje waar we overnachten, hetgeen ons niet handig uitkomt omdat we de volgende dag door de bank worden doorverwezen naar de zwarte markt voor het wisselen van Ghanese Cedis naar CFA’s. Iedereen weet dat wij er zijn en als enige blanken op een zwarte markt vallen we extra op. Het risico is te groot. We berekenen dat we met de van Burkina Faso overgebleven CFA’s in Lomé, de hoofdstad van Togo, kunnen komen waar vast en zeker wisselmogelijkheden zijn.

 

Beroofd op de zwarte markt -Lomé-

In de hoofdstad stappen we een groot bankgebouw binnen waar we vragen naar de wisselkoers van Cedis naar CFA’s. Hoofdschuddend wordt er geantwoord dat Cedis niet geaccepteerd worden. ‘Een andere bank?’ Weer een schuddend hoofd: ‘aan de grens op de zwarte markt.’ Mopperend lopen we de bank uit. We hebben de zwarte markt altijd bewust vermeden en nu worden we er naar doorverwezen! Nog eenmaal proberen we het elders maar als de vinger in de richting van de grens wijst weten we genoeg. In de auto bespreken we de tactiek. We willen in een winkel of een benzinestation wisselen. We laten het geld in de auto totdat er een koers is overeengekomen en gaan het dan pas ophalen. Boven alles zien we er zelfverzekerd uit als gaat het om een routineklus. De geldwisselaar ziet er betrouwbaar uit en rekent ons een nette koers voor. We bezegelen de overeenkomst met een handdruk en Marre loopt terug naar de auto om het geld op te halen. Andres praat nog wat met de man.
Terwijl Marre voorovergebogen naar de Cedis reikt, staat er plotseling een andere man met een poetslap dicht tegen de wagen. ‘Ik maak uw wagen schoon.’ In het nauw gedreven, de Cedis geen seconde uit het oog verliezend, maakt Marre hem duidelijk ogenblikkelijk weg te gaan. Andres ziet met een schuin oog van binnenuit hoe de man rustig het benzinestation afwandelt. Marre komt aangelopen met een plastic zakje vol Cedis. De situatie is onder controle. Voordat we de geldwisselaar het zakje overhandigen, willen we onze dollars zien. We voelen aan het papier en vergelijken ze met onze eigen dollars. Het klopt allemaal. De geldwisselaar telt bundels van Cedis en gaat accoord. Tevreden lopen we naar de auto. Dat verliep gesmeerd. Totdat Andres instapt en direct ziet dat zijn portemonnee uit het portier is verdwenen. De ‘schoonmaker’ moet deze hebben gegrepen. Balend van deze eerste zwarte markt- en berovingservaring gaan we naar het internetcafé om Hanneke (de moeder van Marre) te verzoeken enkele pasjes te blokkeren. Doordat we ons geld en pasjes altijd verspreid bewaren, blijft de schade beperkt. Het vervelende gevoel is er niet minder om.

 

Fetish markt -Lomé-

De geur van rottend vlees kruipt al in onze neuzen bij het openen van het portier. We lopen over de fetish markt van Lomé waar we geconfronteerd worden met de biodiversiteit aldaar. Dood wel te verstaan. Slangenhuiden, kikkers, bokkenpoten, geitenkoppen en vogels van formaat mus tot en met gier. Maar ook olifantenbotten, paarden- en apenschedels, kattenstaarten en nog veel meer. Ieder dier bezit zijn eigen magische krachten die, op de juiste manier en door de juiste persoon bereid, door middel van ingewikkelde zegeningsmethoden voor genezing, geluk, wijsheid en kracht kunnen zorgen. De dieren worden verwerkt in poppetjes of kettinkjes ook wel ‘gris gris’ genaamd. De lokale bevolking gelooft heilig in de werking ervan alsook in heksen, duivels en demonen welke op soortgelijke wijze een vloek over je uit kunnen spreken. Als geïnteresseerde ongelovige buitenstaanders vertrekken we zonder gris gris maar enkele bijzondere indrukken en foto’s rijker.


Voodoomarkt


Marre bekijkt een schedel

 

Hete tropennacht -Lomé-

De hitte is vroeg dit jaar. Toch is het de vochtigheid in de lucht die het dagelijks leven ondraaglijk maakt. Overdag geeft de ventilator in de gezelschapsruimte op camping 'chez Alice' de hoognodige verkoeling. Het is de nacht die problemen geeft. In de tropen is het verschil tussen dag- en nachttemperatuur gering en dat merken we. Vermoeid van de hitte en reeds enkele nachten slecht slapen kruipen we de tent in. Het valt mee met de warmte en we dommelen in. Midden in de nacht worden we wakker. Voor het eerst sinds we hier zijn is het windstil. Roerloos liggen we op onze rug in de tent. Zweet loopt in onafgebroken straaltjes van onze lichamen op het matras dat al snel doorweekt is. Ademen gaat moeizaam. Onze eigen lichaamstemperatuur maakt dat het binnen nog warmer en vochtiger is dan buiten. Naar buiten gaan is echter geen optie. De afgelopen dagen heeft er een ware muggenexplosie plaatsgevonden. Fanatiek vliegen de bloeddorstige (malaria) muggen tegen het tentzeil. Tamtam geluiden en vals halleluja gezang breken de stilte van de nacht. Een sekteleider met aanhang heeft zich enkele dagen geleden in een naburig huis gevestigd. ’s Nachts zingen ze uren achtereen en maken een kabaal van jewelste. Slapen is geen optie en naar buiten gaan evenmin. Cynisch constateren we dat we gevangenen zijn van onze eigen tent. Halverwege de nacht komt er een zuchtje wind. We kunnen een ogenblik slapen tot de vroege ochtendzon ons wederom de tent uitbrandt. Diezelfde dag nog regelen we een kamer met muskietennet en ventilator!

 

Terugtocht? -Lomé-

Na het oplappen van de carosserie staat niets ons vertrek in de weg. Onze grote tocht noordwaarts, naar Europa, kan beginnen. In Lomé is het even zoeken naar de juiste weg. Worstelend met de tientallen brommertjes rijden we de stad uit. Het idee dat de terugreis nu echt begint, brengt gemengde gevoelens teweeg.
Binnen twintig kilometer na Lomé valt de motor plotseling stil. Pogingen om opnieuw te starten, resulteren in zwarte rook en gehoest onder de motorkap. ‘Mmm, eens kijken.’ Een grote legertruck remt. De bestuurder roept of er een probleem is. Voordat we kunnen antwoorden, staat de truck al stil en komen drie militairen en een monteur aangesneld. De monteur krijgt groen licht van ons om te achterhalen wat het probleem is. Donkere wolken verschijnen in de verte. Er steekt een windje op. De monteur zegt dat hij de auto niet kan reparen in verband met de tijd. Wel kunnen ze ons naar een dorpje brengen waar we kunnen bellen. In de grote legertruck praten we wat met de mannen. Tien minuten later nemen we afscheid. Ons plan is om te bellen naar ‘Chez Alice’, de camping waar we in Lomé verbleven, om ons te laten ophalen. Via Alice kennen we een betrouwbare monteur die zich over de auto kan ontfermen.
Herman, de huischauffeur, laat even op zich wachten. Genietend van sinaasappels kijken we naar alle activiteit in het dorpje, dat eigenlijk een transportknooppunt is voor vrachtwagens.

Het blauw is uit de lucht verdwenen en de eerste druppels vallen. Verkopers trachten ons hun waren aan te smeren. Dan arriveert Herman met de monteur van Alice. Snel stappen we in zijn auto en rijden onder een duistere hemel terug naar onze wagen. De monteur heeft al snel door wat het probleem is. Hij slaagt er zelfs in om de motor te starten. Een kilometer verder slaat de motor alweer af, ditmaal definitief. De sleepkabel wordt tevoorschijn gehaald. In de stromende regen wordt de tijdelijke verbintenis tot stand gebracht. Hermans taxi gaat de grote Landcruiser


Herman (met witte broek) brengt redding

naar ‘Chez Alice’ trekken. Met een gematigde snelheid gaat het terug naar Lomé. Bruinrood water kolkt tussen huisjes door, het open riool in. Mensen schuilen onder rieten dakjes. In een eenzame pan pruttelt een ongenuttigde maaltijd.
Droog rijden we even later Lomé binnen. We hebben de bui achter ons gelaten. Om ons heen lachen en roepen de mensen als ze het ongebruikelijke schouwspel, een oude Renault 19 die een grote Landcruiser trekt, in zich opnemen. Plotseling moet Herman remmen voor een geit. Doordat hij vervolgens iets te enthousiast gas geeft, knapt het sleeptouw. Met de neus op de kruising komen we tot stilstand. De lucht is weer zwart geworden en het wordt schemerdonker. Snel duwen we de wagen naar de overkant. Op zijn Afrikaans wordt het restant van het sleeptouw opnieuw bevestigd, zodat onze auto nu slechts een kleine twee meter achter Hermans taxi rijdt! Door zanderige buitenwijken gaan we verder. Kraampjes worden leeggeruimd en winkeltjes gesloten. Dikke druppels doen stof opstuiven. Palmen buigen voor onzichtbare krachten. Hermans taxi worstelt met de modderige weg. Diepe kuilen worden plassen. Fietsers geven hun gevecht tegen het tropenonweer op en proberen hun weg lopend te vervolgen. Krakende donder volgt snel op felle bliksem. Plassen versmelten tot meertjes. Auto’s zoeken het asfalt. De zichtbare wereld is klein en grijs.
‘We zijn er’, zegt Herman en draait de binnenplaats van ‘Chez Alice’ op. Over voor ons onherkenbare wegen heeft hij ons veilig op de plaats van bestemming gekregen! We waden van de auto naar het restaurantje en worden door Alice op gratis koffie en thee getrakteerd.

 

Vallee du Tamberma -Noord Togo-

Na de reparaties gaan we naar Vallee du Tamberma dat volgens ons Lonely Planet boek nog onbedorven is door toerisme. Deze vallei, die vroeger moeilijk bereikbaar was, wordt bewoond door afstammelingen van mensen die vluchtten voor de slavenronselaars. Om zich in de nieuwe omgeving goed te kunnen verdedigen tegen aanvallen van slavenhandelaren, werden huizen gebouwd in de vorm van kleine kastelen. Doordat men alles bij de hand had in één huis konden gevechten lang vol worden gehouden.
Onder geen beding willen we deze mensen en hun cultuur negatief beïnvloeden, waardoor we ons bijna bezwaard voelen erheen te gaan. Een toeristen bord langs de kant van de weg doet iets anders vermoeden. Mogelijk hebben ze geld geroken. En inderdaad, bij aankomst rennen kinderen en volwassenen als dolle stieren op ons af. ‘Donner moi, donner moi!’ (Geef mij, geef mij!) ‘Arret monsieur.’ (Stop meneer.) “Dit is vast geen onderdeel van hun oorspronkelijke cultuur”, merken we fijntjes op. Buiten het gedrang stoppen we om te overleggen. Als we klaar zijn staan er alweer kinderen te bedelen waaronder enkele met waterbuikjes. Een vrouw vraagt ons of we haar huis willen zien. We zijn gekomen voor deze bijzondere bouwwerkjes, dan maar door de zure appel heen bijten. ‘Hoeveel kost dat?’, vragen we. ‘2.000 CFA.’ Drie Euro, moeten we daar nog op afdingen? Het is voor ons geen geld maar voor hen een heleboel. Ze kunnen er eten en kleren van kopen. Anderzijds bevestigen we zonder afdingen het beeld van de rijke blanke (hetgeen we sowieso al doen omdat we met een auto rijden) maar erger dan dat: de mensen verliezen hun waardigheid en cultuur door als hongerige wolven te bedelen, smeken of commanderen in de hoop een cadeau of geld te bemachtigen. We dingen af en gaan accoord met 1500 CFA (2,50 Euro) en mogen dan ook foto’s maken.


Deze familie hebben we bezocht


Huizen als kasteeltjes

Bovenop het huisje willen we een foto maken. Het is er met een man of vijftien zo druk dat er mensen in beeld komen. We verzoeken iedereen die op de foto wil aan de ene zijde te gaan staan en die dat niet wil aan de andere zijde. Alle kinderen willen op de foto; dat past net. ‘Klik’, de foto is genomen. Dan worden we ingesloten door kinderen en volwassenen. Allerlei snuisterijen worden tevoorschijn gehaald. ‘Koop dit, koop dat, geef geld voor de foto.’ Slechts met veel praten kunnen we ons richting de uitgang bewegen. Eén oudere jongen proberen we uit te leggen dat we hem niet extra gaan geven, omdat we dan iedereen van de familie meer moeten geven. Geduldig luistert hij als we bovendien zeggen dat we het niet correct vinden als mensen maar blijven bedelen terwijl we al iets hebben gegeven. De jongen trekt een zielig gezicht en gaat gewoon verder met zijn gebedel. Het is ons duidelijk geworden dat we het hele verhaal net zo goed aan een rotsblok hadden kunnen vertellen. Blij dat we huisjes konden bezichtigen maar teleurgesteld over de “verkapitalisering” van deze mensen stappen we in de auto en stuiven weg, naar de grens met Benin.
 

Home Marokko Mauritanië Senegal Mali Burkina Faso Ghana Togo Benin Niger Algerije Tunesië